top of page
  • filipvk

Laten we niet meer praten over de klimaatcrisis (deel 1)

Bijgewerkt op: 24 mei




"Het ontbreken van een gevoel voor het sacrale is het essentiële gebrek in veel van onze pogingen om onze menselijke aanwezigheid aan te passen aan de natuurlijke wereld. Zoals het gezegde gaat: 'We zullen niet redden wat we niet liefhebben'. Het is ook waar dat we niet zullen liefhebben of redden wat we niet als heilig ervaren....Uiteindelijk zal alleen ons gevoel voor het heilige ons redden."

- Thomas Berry




Zonsopgang boven Bergsfjorden, eiland Senja, Noord-Noorwegen, februari 2017

Foto: Filip Van Kerckhoven





De audio versie van dit essay, voorgelezen door mezelf.





Hoezo laten we niet meer praten over de klimaatcrisis?

Is het niet het grootste existentiële probleem waar de mensheid voor staat, het zwaard van Damocles dat boven ons hoofd en dat van onze kinderen en kleinkinderen hangt, de sluipende moordenaar die ons aller toekomst bedreigt en onze planeet onleefbaar kan maken? Is het niet waar iedereen voortdurend over zou moeten praten?

Is het niet wat we voortdurend onder de aandacht van de media en de politieke wereld moeten zien te brengen?

Zoals de titel van deze tekst al aangeeft, ben ik nu (met heel wat anderen) geneigd om te antwoorden dat dat niet noodzakelijk zo is. Dat de focus op ‘de klimaatcrisis’ ons in zekere zin aan het verblinden is, en ons een verkeerd beeld geeft van de situatie waar we ons in bevinden. En dit om velerlei redenen.

Zeker niet omdat dat probleem minder erg zou zijn dan wat de wetenschap ons vertelt, of dan wat de steeds toenemende klimaatrampspoed overal ter wereld ons in toenemende mate doet inzien. Integendeel, wat we ‘de klimaatcrisis’ noemen is nog veel ernstiger dan je mogelijk al beseft, of jezelf toelaat te beseffen.

Maar de convergentie van ecologische crisissen die we nu meemaken gaat dan nog eens over zoveel meer dan enkel ‘het klimaat’. ‘

Door de crisis waarin onze planeet verkeert te blijven herleiden tot een kwestie van ‘klimaat’, houden we nog steeds een heel groot deel van het probleem (en van de eigenlijke oorzaken maar ook van de mogelijke oplossingen van dat probleem) in de blinde vlek van ons bewustzijn.

De grootteorde van wat er gebeurt, en van wat ons te doen staat dringt nog niet door, en het richten van veruit de meeste aandacht op ‘het klimaat’ maakt het ook moeilijker om het bredere panorama van het samengaan van ecologische en andere crisissen in ogenschouw te nemen. Wat er momenteel gebeurt in onze biosfeer is veel verregaander dan ‘enkel’ een accumulatie van broeikasgassen, hoe ernstig die kwestie ook is. En van zodra we dat bredere panorama beginnen te zien, wordt ook duidelijk dat de veranderingen die nodig zullen zijn veel ingrijpender zullen zijn dan onze instellingen, onze politieke vertegenwoordigers, onze ondernemers en zakenwereld, of zelfs onze groene partijen en milieuorganisaties nu zien of erkennen.

Dat lijkt in eerste instantie moeilijk nieuws om te aanhoren, maar er is zoals steeds ook goed nieuws: deze ingrijpende maatschappelijke omwentelingen kunnen een veel bétere wereld mogelijk maken, en kunnen ons dwingen om heel wat aspecten van onze samenlevingen te veranderen die we nu als vanzelfsprekend, noodzakelijk en onaantastbaar beschouwen (hoewel die noodzakelijk geachte aspecten ons momenteel niet gelukkig maken, en zelfs niet ‘welvarender’).


Een betere wereld. De cynicus in ons tekent al meteen verzet aan. We zijn niet meer heel bedreven in het ons voorstellen van een betere wereld. Je zou zelfs kunnen stellen dat we eigenlijk geen toekomstbeeld meer hebben, en dat veel mensen er al (grotendeels onbewust) van uitgaan dat het niet goed gaat aflopen met Homo Sapiens. Ik ken eigenlijk weinig of geen mensen die de toekomst vol vertrouwen tegemoet zien, en die er van uit gaan dat onze kinderen of kleinkinderen het veel beter zullen hebben dan wijzelf. Ik ken niemand die wel eens mijmert over hoe het leven eruit zal zien voor de nakomelingen van onze kleinkinderen, binnen tweehonderd jaar, of binnen tweeduizend jaar.

Van het vooruitgangsoptimisme van de jaren vijftig en zestig is niet veel overgebleven.

In die zin zijn we geen goede voorouders: het lot van de generaties na de onze is niet iets dat in het centrum van onze aandacht staat (waar het nochtans thuishoort: we hebben de Aarde niet geërfd van onze voorouders, we hebben haar te leen van onze nakomelingen).

Het lijkt erop dat we de toekomst eigenlijk naar een soort taboesfeer hebben verbannen: beter er niet teveel aan te denken of er niet teveel over praten. Het naar voren schuiven van de mogelijkheid op een bétere wereld, temidden al de crisissen, het leed, de rampspoed die ons nu van alle kanten schijnen te belagen, het ruikt voor de doorsnee nuchtere ‘burger’ al gauw naar naïviteit, wereldvreemdheid, zelfs dwaasheid.

Maar om de mogelijkheden tot transitie en verandering te gaan zien, moeten we eerst helder zien wat er momenteel allemaal aan de hand is, en dat is nog zoveel meer dan ‘de klimaatcrisis’.



Massale vissterfte in Louisiana ten gevolge van intensieve landbouw in de omringende gebieden en de olieramp met het Deepwater Horizon boorplatform in de Golf van Mexico, 2010. Foto National Geographic.






Een greep dan uit wat er behalve die ‘klimaatcrisis’ momenteel aan de hand is met onze wereld, onze biosfeer, ons gedeelde lichaam (vooral dan wat betreft de toestand van het leven waarmee we de planeet delen).


Sinds de komst van de mens is zowat een derde tot de helft van alle bossen en wouden op de planeet verdwenen. De overblijvende regenwouden worden gekapt aan het tempo van veertig voetbalvelden per minuut. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is zeventig procent van de in het wild levende dieren verdwenen, en van de grote landzoogdieren is zo’n 84 percent verdwenen, evenals een gelijkaardig percentage van de zeezoogdieren. Van de grote vissoorten is wereldwijd negentig procent verdwenen. Bij de meeste andere vissoorten werd ook een verlies van meer dan vijftig procent vastgesteld. Er is nu een reële mogelijkheid dat de oceanen en zeeën binnen enkele decennia geen vis meer zullen bevatten. Van de migrerende zoetwatervissen is zo’n 76 procent verdwenen.

Van de mangrovewouden is zo’n vijftig percent verdwenen. De totale oppervlakte aan wetlands’ is over de hele wereld met bijna negentig procent afgenomen en ze verdwijnen nog steeds drie maal sneller dan regenwouden.

Kelpwouden, de onderzeese equivalenten van de tropische regenwouden, verdwijnen uit alle oceanen ter wereld. Aan de kust van Californië en Tasmanië bijvoorbeeld werd een afname van niet minder dan vijfennegentig procent vastgesteld. En met de kelpwouden verdwijnen talloze andere soorten die afhankelijk zijn van dat zo rijke en gevarieerde biotoop. De kelpwouden zijn verantwoordelijk voor een groter aandeel in biodiversiteit en opname van koolstof dan het Amazonewoud. Maar ze sterven dus - net als dat Amazonewoud, dat waarschijnlijk in de nabije toekomst een onomkeerbaar ‘tipping point’ bereikt en een savanne zal worden.

De helft van alle koraalriffen, die ook een essentiële habitat vormen voor tienduizenden soorten, en een belangrijke rol vervullen in de koolstofcyclus in de oceanen, is verdwenen. De andere helft is ernstig bedreigd en kan in de komende decennia verdwijnen.

Het aantal vogels op het Europese en Amerikaanse platteland is met een derde tot de helft afgenomen.

In het wild levende dieren maken nu nog zo’n vier percent uit van de biomassa van alle op aarde levende dieren. De mens en zijn gedomesticeerde dieren (koeien, varkens, kippen, geiten, schapen, etc) vertegenwoordigen 96 procent uit van de biomassa van alle nog levende dieren.

De massa van het plastic in onze oceanen is op sommige plaatsen aan de oppervlakte nu groter dan de biomassa van al wat nog leeft nabij het oppervlak die oceanen.

De totale massa aan door de mens gemaakte constructies (gebouwen, wegen, bruggen, fabrieken, etc) weegt nu meer dan de biomassa van al wat nog leeft op Aarde.

Van alle insecten is globaal een afname met tachtig tot negentig procent waargenomen. Van de vliegende insecten is wereldwijd zestig procent verdwenen. Ze verdwijnen acht maal sneller dan andere diersoorten.

De insecten vormen de basis van de voedselketen op het land. Ze waren de eerste wezens die het land koloniseerden, en hun verdwijnen moet alle alarmbellen doen afgaan die we maar kunnen bedenken. Met het verdwijnen van de insecten wordt het verdwijnen van het leven in onze biosfeer aangekondigd.


Dagelijks sterven er nu zo’n tweehonderd soorten planten, dieren en insecten uit. Je leest dat goed: per dag zo’n tweehonderd soorten die voor altijd verdwijnen uit het weefsel van leven.

Sommigen waarschuwen voor een komende ‘zesde uitstervingsgolf’, maar die is al een hele tijd bezig. Dat zou eigenlijk elke dag voorpaginanieuws mogen zijn.

Een snelle rekensom leert me dat er sinds ik zo’n twee jaar geleden mijn nieuwe project begon te overwegen, zo’n 146.000 soorten planten, insecten en dieren uitgestorven zijn, voor altijd verdwenen van onze planeet. Ik herinner me nog de eerste dagen en nachten van nadenken, soul-searchen, piekeren over mijn beslissing om te stoppen met schilderen, in de loop van het jaar 2019. Aan het begin van die periode, nog maar zo kort geleden, werd onze biosfeer dus bevolkt met honderd zes en veertig duizend méér soorten planten, insecten en dieren dan nu. Binnen een tweetal jaar zullen het er nog eens zoveel minder zijn.

Aangezien deze ratio van uitsterving al meerdere decennia geldt, kunnen we stellen dat er sinds het jaar tweeduizend meer dan één miljoen soorten verdwenen zijn uit onze biosfeer.

Niet minder dan nog eens één miljoen soorten zijn in de nabije toekomst (de komende decennia) met uitsterven bedreigd.

Ik zou willen vragen om hier even bij stil te staan, die aantallen even te laten binnenkomen, en daarbij in gedachte te houden dat élke soort leven uniek is en miljoenen of tientallen miljoenen jaren is geëvolueerd om tot haar huidige vorm te komen en haar huidige unieke plaats in het weefsel van leven in onze biosfeer in te nemen, in myriaden van complexe interacties met ontelbare andere soorten. .

Het is heel moeilijk om te vatten, om te voelen, om te begrijpen. De schaal van dit sterven is overweldigend en we houden het besef hiervan dan ook dagelijks op afstand.

Dit is het Grote Sterven, de grote uittocht. Ik denk niet dat er een componist is die een ‘marche funèbre’ zou kunnen bedenken die deze uittocht recht zou doen.


Zelfs een onvolledige opsomming als de bovenstaande is al bijzonder pijnlijk en alarmerend, maar het is niettemin nodig om ze ten volle binnen te laten. Net zoals we een diagnose van levensbedreigende ziekte bij een vriend of familielid moeten aanhoren en binnenlaten.

Wie zou, bij het vernemen van het feit dat een geliefde ernstig ziek is, er voor kiezen om dat niet te willen weten? Wie zou ervoor kiezen om in ‘zalige onwetendheid’ te blijven van een conditie die mogelijk levensbedreigend zou zijn voor je partner, of één van je kinderen?

Nee, we willen het weten, en hoe verschrikkelijk het nieuws ook is en hoe klein de kans op overleving ook moge lijken, we kiezen ervoor om het te weten, en om tot het uiterste te gaan om herstel en genezing mogelijk te maken.

Is hetzelfde dan niet aangewezen als het op de gezondheid en levenskansen aankomt van ons aller gedeelde lichaam, het wezen waar we met zijn allen onlosmakelijk mee verbonden zijn, onze biosfeer?

Zijn we niet op dezelfde manier in liefde verbonden met het organisme waar we deel van uitmaken, als met een geliefde partner of kinderen? Is de reflex om ‘het niet te willen weten’ niet even jammerlijk misplaatst als die zou zijn in het geval van een situatie die het leven van je geliefde bedreigt?



Afbeelding van Yggdrasil, de Levensboom die in de Noorse mythologie alle wezens die op Aarde leven niet enkel met elkaar verbindt, maar ook met de verschillende hogere domeinen in de kosmos.

Foto Wikipedia






Het hierboven beschreven ‘grote sterven’ is wat er doorgaans bedoeld wordt met de term ‘biodiversiteitscrisis’. Maar dit woord is ontoereikend om ten volle recht te doen aan wat er gebeurt, en is net als het woord ‘klimaatcrisis’ te mechanistisch, te afstandelijk, te rationeel, teveel dissociërend van de essentie van onze verbinding met het object van die term.

Waarschijnlijk is geen enkel woord echt geschikt om weer te geven wat er gebeurt, en in die zin is de huidige convergentie van crisissen ook een crisis in onze taal, en onze cultuur: we hebben niet echt taal die dit kan communiceren. Tenzij misschien de taal van het hart, en van de kunst: de poëzie.

Als we dus al maar een beetje verder kijken dan wat er door de uitstoot van broeikasgassen gebeurt, wordt al snel duidelijk dat het hele weefsel van leven op deze planeet bedreigd is, en dat er een massa-extinctie gaande is die erger is dan alle voorgaande.

Er zijn vijf massa-extincties of uitstervingsgolven geweest in de geschiedenis van het leven op aarde. De grootste tot dusver was niet die waarbij zo’n 65 miljoen jaar geleden de dinosauriërs verdwenen zijn, maar één die nog veel langer geleden plaats heeft gevonden: de ‘Permian Mass Extinction’, toen tweehonderdvijftig miljoen jaar geleden meer dan tachtig procent van alle leven op Aarde verdween.

De oorzaak van die uitstervingsgolf, die ‘The Great Dying’ wordt genoemd, is niet bekend. Mogelijk een combinatie van factoren als temperatuurschommelingen, een wijziging van de samenstelling van de atmosfeer door een eeuwenlange ondergrondse brand van steenkoollagen.

De wetenschap voorziet nu al dat deze huidige uitstervingsgolf nog verder zou kunnen gaan dan die ‘Great Dying’. Wat we nu zien gebeuren is een uitstervingsgolf zonder voorgaande die al het leven in onze biosfeer bedreigt.

En de oorzaak van dit grote sterven dat nu plaatsvindt? Het is verleidelijk meteen de beschuldigende vinger uit te steken naar ‘de mens’. Inderdaad, deze uitstervingsgolf wordt veroorzaakt door menselijke activiteit, door wat Homo Sapiens doet en laat op deze planeet. Maar tegelijk is het nodig daar een nuance in aan te brengen: het is niet zozeer de aanwezigheid van de mens (en zelfs niet het aantal mensen) op zich, maar een welbepaald deel van de activiteit van een welbepaald deel van die mensen, die het probleem vormt.

Het aanduiden van bijvoorbeeld overbevolking als de hoofdschuldige is een manier om een einde te stellen aan het gesprek, en om er verder niet over na te hoeven denken. We gaan het aantal mensen immers niet met een paar miljard doen afnemen de komende jaren. Als we overbevolking aanwijzen als oorzaak van het probleem, hoeven we ook niet nader te kijken naar de échte oorzaken van het grote sterven. Het is vooral een manier om het probleem niet dichterbij te laten komen: het zijn immers de ànderen, en dan vooral het tevéél aan ànderen, in landen die ver weg zijn, die de oorzaak zijn van de problemen.

De oorzaken van de convergentie van ecologische crisissen zijn complex, en het totale aantal mensen speelt zeker een rol. Maar veel meer dan het totale aantal gaat het om wat een relatief klein deel van die mensen doen. En ook dat verdient weer een nuance: niet iedereen in dat relatief kleine deel van de mensheid draagt evenveel verantwoordelijkheid, en eerder dan het individuele gedrag van die mensen als hoofdschuldige aan te wijzen (hoewel dat individuele gedrag zeker een rol speelt) zijn het de systemen die een nog veel kleiner deel van die mensen hebben opgebouwd in het domein van activiteit dat we ‘economie’ noemen, en het schijnbaar magische middel dat we al millennia lang gebruiken om binnen dat domein waarde te vertegenwoordigen (geld) die het echte probleem vormen. Deze systemen zijn uitgegroeid tot onstuitbaar groeiende dynamieken die door hun aard niet anders kunnen dan onze biosfeer levend opvreten en al wat leeft genadeloos vermalen tot geld, terwijl de meeste mensen (ook niet degene in wat we de ‘rijke landen’ noemen) daar absoluut geen voordeel van ondervinden.


Daarover en over de oorzaken van deze uitstervingsgolf meer in toekomstige blogposts, maar voor nu is het belangrijk om te weten dat dit niet helemaal hetzelfde fenomeen is als

wat we ‘de klimaatcrisis’ noemen, hoewel het er vele oorzaken mee deelt, en hoewel beide natuurlijk nauw met elkaar verweven zijn. Beide zijn processen die het gevolg zijn van wat we doen en laten in onze biosfeer, en beide zijn een symptoom van een crisis die ruimer is dan ‘het klimaat’ of ‘de biodiversiteit’.

Het Grote Sterven gaat ook over veel meer dan procenten, aantallen, statistieken. Dat ‘tellen’ maakt op zich ook al deel uit van onze gewoonte alles te kwantificeren, een gewoonte die ons òòk niet altijd op het juiste spoor zet. Het gaat over meer dan koolstoftaksen of emissierechten, het gaat over het daadwerkelijk lijden en sterven van een levend organisme, en dat verhaal laat zich niet helemaal samenvatten in tabellen en cijfers. Als zelfs onze taal al in zeker zin in de steek laat als het erop aankomt de huidige crisis te omschrijven, hoe kunnen we dan denken dat cijfers en tabellen deze recht kunnen doen?


Als we de Aarde beschouwen als een levend wezen, en al de vormen van leven in onze biosfeer (onszelf incluis) beschouwen als de organen en weefsels van dit levende wezen (het beeld dat meer en meer gehanteerd worden in de nieuwste bevindingen van de biologie, systeemecologie, en biogeochemie), dan kunnen we stellen dat dit wezen heel erg ziek is.

Eén voor één verzwakken de essentiele bindweefsels, de cellulaire samenhang, de synergieën en processen die het leven van dit wezen ondersteunen en in stand houden. Al de elementen in dit weefsel zijn van belang. Meer en meer wordt duidelijk hoezeer alles met alles verbonden is in onze biosfeer, en hoe schijnbaar onbetekenende insecten, kleine en grote zoogdieren, planten op land en in zee, vissen, plankton en zelfs bacteriën en virussen allen een belangrijke rol spelen in de stofwisseling en ademhaling (en ja, ook temperatuurregeling) van dit levende wezen.

Wat we ‘het klimaat’ noemen, maakt deel uit en is een expressie van de stofwisseling van dit wezen, en de stijgende gemiddelde temperatuur is zeker een signaal en een symptoom: het is koorts. Maar de toestand herleiden tot enkel een kwestie van koorts, laat de eigenlijke ziekte van dit levende geheel buiten beschouwing.

Dit levende wezen, dat zo vaardig is in het onderhouden van de juiste voorwaarden voor het leven op deze planeet via zoveel biofeedback loops en fijn afgestelde processen in symbiose met de levensvormen die het een thuis biedt, en waarvoor wetenschapper James Lovelock in 1972 de term ‘Gaia’ bedacht (op aanraden van zijn goede vriend de schrijver Willam Golding), dit levende wezen verkeert eigenlijk in een toestand die fataal zou kunnen zijn. Teveel organen zijn verzwakt, teveel levensfuncties verstoord. Op zeker moment, dat niet ver weg ligt in de toekomst, gaat dit leven wegzakken en tot stilstand komen door verregaande overbelasting.



Video van NASA Scientific Visualisation Studio, die een periode van zeven dagen in 2005 weergeeft met een verhoogde 3D rendering van het bewegende wolkendek.






Het is nog niet te laat om dit leven te redden, en via een intensieve behandeling terug in een toestand van gezond evenwicht (homeostase) te brengen. Maar daarvoor moeten we eerst helder waarnemen wat de eigenlijke situatie is, welke de stappen zijn die ondernomen moeten worden om de vitale organen weer te ondersteunen en tot leven te laten komen, en wat er moet veranderen om de essentiële samenhang tussen alle organen weer te energetiseren en in balans te brengen.

Als we praten over ‘de klimaatcrisis’, hebben we het meestal over slechts één aspect van die situatie: de accumulatie van broeikasgassen in de atmosfeer door het gebruik van fossiele brandstoffen.

Maar door al onze aandacht te richten op dat aspect van broeikasgas-effect, energiegebruik en de ‘temperatuurcrisis’, missen we veel. We lijken nog vaak te denken dat als we de energiekwestie maar oplossen we verder kunnen gaan als vanouds, en dat we terug op het pad van eindeloze economische groei kunnen gaan. Dat we onze levensstijl en gewoonten onveranderd kunnen verderzetten, mits we maar overschakelen op ‘hernieuwbare energie’ en we maar met elektrische auto’s gaan rijden.

Het lijkt er een beetje op alsof we enkel een symptoom (de koorts van de patient) proberen te behandelen, en de andere symptomen van de ziekte nog steeds buiten beschouwing laten. Eigenlijk willen we niet weten hoe ziek de patiënt is. We menen dat, als we de koortstemperatuur van de patient maar omlaag krijgen, alles wel in orde komt. Dit beeld past natuurlijk in onze behoefte aan mechanische eenvoud en rationele controle, die deel uitmaken van ons wereldbeeld. Maar de situatie is complexer, en de gezondheidstoestand van de zieke, het levende wezen aan het beademingstoestel (onze biosfeer), is veelomvattender en in meer kritieke toestand dan we beseffen.

Al deze processen lijken sneller en sneller te evolueren in de richting van een soort kantelpunt, waarbij we een keuze zullen hebben: wat voor wereld willen we eigenlijk? En willen we eigenlijk nog voor het leven kiezen?

Ik verwijs graag naar het grote werk van auteur en 'klimaatdenker' Charles Eisenstein, waarin hij deze zelfde stelling in breder verband en diepgaander uitwerkt: 'Climate, A New Story'. Het is een prachtig uitgewerkte these, die net als zijn andere boeken een sleutelrol speelt in de ontwikkeling van zijn 'theorie van alles', waarin ‘Separation’ als dé wortel van onze problemen en de hoofdoorzaak van onze huidige situatie wordt aangewezen. Zijn andere werken zijn onder meer 'The Ascent of Humanity', 'Sacred Economics' en 'The More Beautiful World Our Hearts Know Is Possible' (waarvan elders in deze blog een korte bespreking).

Het woord ‘klimaatcrisis’ is dus naar mijn gevoel te eng, en beperkt onze waarneming en ons denken en voelen. Het is een woord dat te mechanistisch is, en teveel afstand houdt tussen ons voelen en wat we menen waar te nemen. Het is een woord dat ook ons denken over ‘oplossingen’ misvormt: het houdt onze mogelijke antwoorden teveel in de modus van het technologische, het economische wenselijke, het kwantificeerbare en controleerbare, het mechanische en louter rationele.

Daarom stel ik voor om het woord ‘klimaatcrisis’ te vervangen door een andere term.

Een woord dat meer (maar nog steeds onvoldoende) recht zou doen aan de zowat allesomvattende aard van de verschillende crisissen die ons gedeelde lichaam nu bedreigen.

Op zich is het gebruiken van een ander label geen stap die heel veel zoden aan de dijk lijkt te brengen. Maar het kan een klein stapje zijn in dit voortdurende proces van verschuiving van bewustzijn. Er zullen heel veel stappen nodig zijn, maar inzake onze perceptie van het probleem kan het overschakelen op een andere term mogelijk al een andere kijk helpen initiëren.





Ik zelf ga deze crisis de biosfeercrisis noemen eerder dan de klimaatcrisis. Een woord dat tenminste aangeeft dat er meer aan de hand is dan wat we doorgaans vermoeden, en dat alle processen die we nu waarnemen een deel uitmaken van een evolutie in een levend organisme dat één en ondeelbaar is, onze biosfeer.


Toegegeven, het is ook maar een woord, en ook dit woord kan geen recht doen aan de omvang van de problemen waarin we ons bevinden, of aan de omvang van het Grote Sterven. Ook dit woord kan op zich niet tot de verandering in onze waarneming en onze beleving leiden, en ook dit woord zal niet in staat zijn om onze harten te openen voor de pijn die we moeten voelen als we écht gaan zien wat er gebeurt met het wezen waar wij deel van uitmaken, met ons ‘gedeelde lichaam’.

Maar woorden en terminologie hebben wel degelijk hun belang, en bepalen mee hoe we de wereld waarnemen, hoe we betekenis creëren in de wereld.

Misschien valt er nog een betere term te bedenken dan ‘biosfeercrisis’, en indien ikzelf een ander woord vind dat het allemaal nog beter samenvat, zal ik daar zeker over berichten. Want uiteindelijk is het een aspect van een nog breder probleem en uitdaging.

Schil één laag van de ajuin, en je komt onveranderlijk weer een andere laag tegen.

Maar het gaat niet enkel over ‘crisissen’ en problemen: uiteindelijk gaat het over het leven zelf, en over hoe we béter kunnen leven, in harmonie met ons gedeelde lichaam.

En uiteindelijk gaat het ook over de intrinsieke waarde die we toekennen aan de wereld, het leven, en onszelf. Over de vraag of we de wereld en onszelf nog als iets sacraal kunnen zien.

Want zoals het citaat aan het begin van dit essay al aangaf, zullen we niet redden waar we niet van houden, en we houden niet van iets dat we niet als sacraal zien.

Wordt vervolgd in deel twee van deze tekst.



Het ga jullie goed,

Filip



Wolken boven Zeeland, Nederland. Foto: Filip Van Kerckhoven



Comments


bottom of page